Wij gebruiken cookies

DON gebruikt cookies om bijvoorbeeld de website te verbeteren en te analyseren. Als u meer wilt weten over deze cookies, raadpleeg onze cookieverklaring

Cookies accepteren Instellingen aanpassen

Alles over insuline en de werking

image

Insuline, dat heeft toch iets met diabetes te maken? De naam van dit stofje doet bij veel mensen een belletje rinkelen. Maar wat is insuline, hoe werkt het, en wat is de connectie met diabetes type 1?

Wat is insuline en wat doet het?

Insuline is een hormoon dat de bloedsuikerspiegel reguleert. Het zorgt ervoor dat de glucose (suiker) in je bloed wordt opgenomen door de cellen in je lichaam. De insuline zet als het ware de deur open, waardoor de glucose naar binnen kan. In de cellen wordt de glucose vervolgens omgezet in energie, om je lichaam en hersenen van voldoende brandstof te voorzien.   

Als je diabetes type 1 hebt, functioneren de bètacellen in je alvleesklier niet goed, waardoor er nauwelijks of geen insulinehormonen worden aangemaakt. Daardoor kan je lichaam de glucose in je bloed niet verwerken. Je moet zelf dagelijks insuline toedienen om je bloedsuikerspiegel te reguleren. 

Overigens: ook mensen met diabetes type 2 hebben problemen met hun bloedsuikerspiegel, maar dat heeft een andere reden. Bij diabetes type 2 produceert de alvleesklier wel insuline, maar reageert het lichaam daar niet goed meer op. 

Natuurlijke en kunstmatige insuline
Van oorsprong bestaat er maar één vorm insuline die geschikt is voor het menselijk lichaam: de variant die in een gezonde alvleesklier wordt geproduceerd. Daar kwam verandering in na 1921, toen wetenschappers ontdekten hoe je ze in een laboratorium kunstmatige (of synthetische) insuline konden produceren. Farmaceutische bedrijven maken deze insuline sindsdien voor mensen met diabetes type 1, zodat zij hun bloedsuikerspiegel kunnen regelen. 

In de loop der tijd hebben wetenschappers manieren ontdekt om kunstmatige insuline enigszins te wijzigen. Daardoor kunnen farmaceuten tegenwoordig verschillende soorten insuline maken, met variërende eigenschappen. Alle insulinesoorten verlagen de bloedsuikerspiegel, maar in verschillend tempo. 

Welke soorten insuline zijn er?
Mensen met diabetes type 1 kunnen verschillende soorten insuline gebruiken. Sommige varianten werken snel en kort, andere werken langzaam en langdurig. Meestal gebruik je op verschillende momenten verschillende soorten insuline. Bijvoorbeeld een langzame variant die je bloedsuikerspiegel de hele dag stabiel houdt, en een snelle variant om een verhoging te voorkomen na een grote maaltijd.

 

Soort insuline

Opname 

Piek

Duur

Wanneer

Ultrakortwerkend

Zeer snel

1 tot 2 uur

4 tot 5 uur

Direct voor de maaltijd, soms meteen erna

Kortwerkend

Normaal, zoals natuurlijke insuline

2 tot 4 uur

6 tot 8 uur

15 tot 30 minuten voor de maaltijd

Middellangwerkend

Langzaam 

4 tot 8 uur

10 tot 12 uur

Meestal ’s avonds

Langwerkend

Zeer langzaam

Geen piek

18 tot 24 uur

Meestal ’s ochtends, werkt de hele dag

Mix / combinatie van verschillende soorten insuline

Varieert

Varieert

Varieert

Meestal twee keer per dag, voor het ontbijt en het avondeten

Welke variant(en) insuline jij nodig hebt, hangt af van verschillende factoren. Samen met je arts of diabetesverpleegkundige kun je bepalen wat voor jou het beste werkt. 

Wanneer gebruik je insuline?

Je spuit insuline om de hoeveelheid glucose (suiker) in je bloed te verkleinen en daarmee je bloedsuikerspiegel te verlagen. Dat doe je meestal vlak voor of vlak na een maaltijd, aangezien het eten van suikers en koolhydraten ervoor zorgt dat je bloedsuikerwaarde toeneemt. Door op de juiste momenten te compenseren met insuline, voorkom je dat je een hyper krijgt.

Wanneer je de insuline precies moet toedienen, hangt zowel af van de variant die je gebruikt als van je dagritme. Als je bijvoorbeeld veel hebt gegeten of weinig hebt bewogen, kan het zijn dat je extra insuline moet toedienen. Jouw arts of behandelaar vertelt je hier meer over.

Wanneer mag je geen insuline toedienen? 
Gebruik geen insuline als je bloedsuikerspiegel (te) laag is. Dat is het geval als er weinig glucose in je bloed zit. Bijvoorbeeld omdat je al een tijdje niks hebt gegeten, of omdat je net gesport hebt (bij sporten verbrandt je lichaam glucose). Als je op dat moment insuline spuit, zorgt dat voor een nog eens lagere glucosewaarde, waardoor je het risico loopt een hypo te krijgen. Is het tijd voor insuline, maar vermoed je dat je suikerspiegel laag is? Meet dan de glucosewaarde van je bloed, zodat je zeker weet of het veilig is om insuline te spuiten.

Hoe moet je insuline toedienen?
Insuline toedienen kan handmatig (met een spuit) of met een insulinepomp. Een insulinepomp is een klein apparaatje dat, meestal via een slangetje, aan je lichaam is verbonden. Het pompje geeft de hele dag door kleine hoeveelheden insuline af. De meeste insulinepompen stel je zelf af, maar er bestaan tegenwoordig ook ‘slimme’ varianten, die met een algoritme berekenen of je insuline nodig hebt. Of een pompje de juiste oplossing is voor jou, en welke pomp jij het best kunt gebruiken, overleg je met jouw arts of diabetesverpleegkundige. 

Als je handmatig insuline toedient, gebruik je daarvoor een insulinespuit, ook wel bekend als insulinepen of epipen. Daarin zit een aantal doses insuline. Met de naald maak je een kleine injectie in je huid, zodat het stofje je lichaam binnenkomt en je bloedsuiker reguleert. Je behandelaar legt uit hoe je de insulinespuit gebruikt.

Waar moet je insuline spuiten?
Stel, je dient handmatig insuline toe. Wat zijn dan de beste spuitplekken? Je kunt het best insuline toedienen via je buik of bovenbenen. Via je buik verspreidt de insuline zich sneller door je lichaam, maar misschien vind je het, als er geen acute nood is, fijner om in je bovenbenen te prikken. Die zijn namelijk minder gevoelig. Zorg wel dat je zoveel mogelijk in hetzelfde lichaamsdeel prikt, dus meestal in je buik of meestal in je bovenbenen. Op die manier went je lichaam beter aan het handmatig toegediende hormoon. 

Daarnaast is het belangrijk dat je iedere keer een ander plekje op je huid gebruikt, vlak naast het plekje waar je bij de vorige toediening hebt geprikt. Bij de injectie ontstaat namelijk een klein gaatje in je huid. Door iedere keer nét ergens anders te prikken, geef je het wondje tijd om te genezen.

Niks is onmogelijk

Houd mij op de hoogte van alle mooie ontwikkelingen